Slapend dienstverband, slapend rijk?

Sascha Janssen Arbeidsrecht, NIEUWS 1 Comment

Op 21 juli jl. heeft de Rechtbank Midden-Nederland een werkgever veroordeeld mee te werken aan de beëindiging van een reeds 4 ½ jaar ‘slapend dienstverband’ met toekenning van een transitievergoeding van € 32.604,02 bruto aan werknemer. Deze werknemer werkt op dat moment (vanwege ziekte) al ruim 6 1/2 jaar niet voor werkgever en al 3 1/2 jaar elders bij een andere werkgever.

De feiten

Werknemer is op 13 maart 1996 in dienst getreden bij werkgever als calculator/werkvoorbereider voor 40 uur per week. Op 9 januari 2014 is werknemer uitgevallen wegens ziekte. De loondoorbetalingsverplichting van werkgever na 104 weken van ziekte op 8 januari 2016 geëindigd.

Het UWV heeft werknemer vervolgens per 8 januari 2016 (dus per einde wachttijd) geen WIA-uitkering toegekend want het UWV concludeerde dat werknemer zijn eigen werk bij een andere werkgever nog gewoon kan doen. Om die reden was geen sprake van verlies van verdiencapaciteit en kwam het UWV tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0%. Werknemer heeft aanvankelijk een WW-uitkering gekregen en is per 1 januari 2017 bij een andere werkgever in dienst getreden als projectleider. De arbeidsovereenkomst met werkgever is echter nooit beëindigd.

Werknemer heeft werkgever op 30 juli 2020 verzocht in te stemmen met een beëindiging van zijn dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding van € 32.604,02 bruto. Werkgever heeft dit (uiteindelijk) geweigerd, omdat zij verwacht dat zij voor de transitievergoeding geen compensatie van het UWV zal krijgen.

Het oordeel van de kantonrechter

Volgens de kantonrechter kan op basis van de rapportages van de bedrijfsarts, de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige worden vastgesteld dat bij werknemer als gevolg van het arbeidsconflict per einde wachttijd sprake was van ziekte waardoor hij de bedongen arbeid bij werknemer niet meer kon verrichten. Partijen hebben niet betoogd dat herplaatsing of werkhervatting binnen 26 weken, al dan niet in aangepaste vorm, mogelijk is. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat dit niet in de rede ligt.

Er is volgens de kantonrechter daarom voldaan aan de vereisten voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De rechter stelt vast: “Nu niet is gebleken dat werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst, diende werkgever op grond van de normen van goed werkgeverschap in te stemmen met het voorstel van werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding ad € 32.604,02 bruto.”

De kantonrechter overweegt bovendien dat, omdat de verzekeringsarts van het UWV in zijn rapportage van 16 november 2015 heeft geoordeeld dat bij werknemer als gevolg van het arbeidsconflict sprake was van medische beperkingen die zijn aan te merken als ziekte of, de rechter geen reden ziet om te veronderstellen dat het UWV deze transitievergoeding niet zal compenseren.

Ondanks dat werknemer al meer dan 6 1/2 jaar niet meer werkt voor werkgever en al 3 1/2 jaar elders werkzaam is, wordt deze werkgever door de rechter opgedragen mee te werken aan het beeëindigen van het dienstverband met betaling van de transitievergoeding. Deze uitspraak geeft in ieder geval weer dat de initiële gedachte achter de invoering van de transitievergoeding in 2015 – als een vergoeding om “van werk naar werk” te gaan – in de werkelijkheid van de praktijk amper een rol speelt.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2021:3076

Comments 1

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.